Het moderne kerngezin is de norm

‘Ik omarm onze village’

 

It takes a village to raise a child, maar waar is die village?’ Dat heb ik me de afgelopen jaren vaak afgevraagd tijdens de ingewikkelde opvoeding van onze zoon. De laatste maanden realiseer ik me dat we inmiddels toch een behoorlijke village om ons heen hebben opgebouwd en hoe dankbaar ik daarvoor ben. 

 

‘Wij eten niet met het gezin samen’, als ik de woorden uitspreek zie ik de ogen van mensen vaak groter worden. Doordat ik het zo nonchalant mogelijk probeer te brengen, zal de ander wellicht niet veel ruimte voelen om verbaasd te reageren of door te vragen, dus daar blijft het vaak wel een beetje bij. Het is niet iets waar de meeste vrienden of kennissen zich een voorstelling van kunnen maken: ‘Je eet toch ‘gewoon’ met elkaar?’ Maar nee dus, vandaag eet Pepijn met zijn begeleider beneden en ik met Tirza boven. Bram is later van werk. Op zondagen proberen we wel met elkaar te eten.

 

Opgelucht ademhalen

Voor Pepijn is het gezin te druk. Afgelopen zomer op vakantie in Oostenrijk werd dat duidelijker dan ooit. In de auto met elkaar, op pad, in een huisje, eten, afstemmen wat we op een dag kunnen gaan doen, in de speeltuin van het vakantiepark met andere kinderen was lastig: hij werd met de dag ongelukkiger en daarmee dwarser, grilliger en bozer. We zaten in een prachtige omgeving, maar het was een regelrechte ramp en we haalden dus ook allemaal opgelucht adem toen we na die lange twee weken thuiskwamen. Pepijn zei letterlijk: ‘Eindelijk!’ Nu kon hij weer lekker zijn eigen gang gaan (lees: aan de slag met zijn knutselprojecten), in alle stilte.

Het kerngezin is de norm in onze samenleving. Daar leven we mee, gaan we mee op vakantie, eten we, doen we leuke dingen. Ouders zijn DE aangewezen personen voor troost, comfort, correctie en meer. Dat was ook voor mij vanzelfsprekend. Wij kiezen voor kinderen, dus wij nemen alle verantwoordelijkheden die daarbij komen kijken op ons. Zo hoort het en zo doe je dat. Maar hoort het echt zo? Het moderne kerngezin is in de westerse samenlevingen pas sinds enkele decennia, vooral sinds de Tweede Wereldoorlog, de norm. Voor die tijd waren uitgebreide gezinnen, (ooms, tantes, opa’s, oma’s) of andere structuren heel normaal en dat is in veel landen nog steeds zo.

Luister de podcast: 'kweekje'. https://www.nporadio1.nl/podcasts/kweekje

Opvoedpoli

Hulp vragen in de opvoeding is niet makkelijk. Al toen Pepijn 3 jaar was, en niet meer naar de opvang kon omdat ze het niet aankonden, moesten we al aankloppen bij de Opvoedpoli. Alleen die naam al, met schaamrood op de kaken belde ik de eerste keer aan bij die grote deur aan de Biltstraat in Utrecht (lees: iedereen kon ons ‘hulpeloze, onbekwame’ ouders zien staan) en dan maar hopen dat er snel werd opengedaan.  

Ook hebben we door de jaren heen om hulp gevraagd in onze omgeving, bij familie. Maar ons informele netwerk, zoals dat dan officieel bij jeugdzorg wordt genoemd, bleek niet toereikend. Terwijl, onze hulpvraag werd juist prangender. Niet alleen voor de opvoeding, maar vooral ook voor ontlasting en ondersteuning. Het gevoel hebben dat je er niet alleen voor staat. We waren genoodzaakt nog meer een beroep te doen op de gemeente (centrum jeugd en gezin), maar dat leverde ook stress op, want je moet alles uitleggen, verantwoorden en loopt voortdurend tegen dichte deuren op. En dan heb ik het nog niet eens over alle verschillende mensen waar je voortdurend mee te maken krijgt. Gelukkig zijn er wel wat deuren geopend inmiddels, waarover later meer.

 

Hoop

Terwijl leeftijdsgenootjes fulltime naar school gaan, open dagen van middelbare scholen bezoeken, op sportclubs zitten en daar zelf naartoe fietsen, met andere kinderen in de buurt spelen, op kamp gaan in de vakanties en vanzelfsprekend zelfstandig worden en zich ontwikkelen, krijgt Pepijn het steeds zwaarder. Naar school gaan is een steeds grotere opgave en dus gaat hij alleen nog in de ochtenden. Het leven wordt niet makkelijker maar moeilijker nu hij ouder wordt en steeds meer doorheeft dat de bedrading in zijn hoofd anders werkt. De opvoedboeken en adviezen van hulpverleners kunnen we inmiddels dromen: structuur, ritme, duidelijkheid. We hebben het eindeloos toegepast, maar met weinig resultaat. In een volgende blog meer hierover. 

 

Hoop op een ‘gewoon’ gezinsleven was er heel lang. Als we zouden beginnen aan die therapie, zou straks alles beter worden. Als we meer begeleiding zouden krijgen, zou er meer lucht komen en zouden we alles beter aankunnen. Als we de medicatie zouden verhogen, zouden we ‘gezellig en normaal’ met elkaar kunnen eten en misschien zelfs toch weer op vakantie kunnen. Als we onze verwachtingen zouden bijstellen, zou het allemaal meevallen. Maar de juiste diagnose kwam maar niet. Of is er al, maar passende behandelingen of aanpak sloegen in ieder geval niet aan. Medicatie werkte wel, maar toch weer niet. Hoop is uitgestelde teleurstelling.

 

Koesteren

Gelukkig zijn we heel goed in het genieten van de kleine dingen, de onverwachte geluksmomenten, en die zijn en blijven er altijd. En het helpt om per dag te leven. Overleven noemt men dat. We proberen mee te bewegen met de grillen van een overprikkelde zoon, ons niet van de wijs te laten brengen en de kleine, mooie momenten met elkaar te koesteren.

 

Nog even terug naar dat apart eten.

We maken het samen gezellig boven. De uitgeklapte campingtafel past net op het kantoortje. De verwarming staat aan en ik heb een kaarsje aangestoken. Vandaag eten Tirza en ik boven. En zo eten we dus elke avond gesplit, behalve de zondagen of bij hoge uitzondering ook doordeweeks. Ook de ochtenden splitten we. We wisselen per week. Ik ben deze week ‘aan de beurt’ om de ochtenden met Pepijn boven op zijn kamer te ontbijten, en we komen er pas vanaf als hij naar school gaat. We hebben zo ons ritme gevonden en dat werkt best goed, maar een echte status quo zullen we nooit bereiken, daarvoor is het gedrag van Pepijn te grillig. Soms wordt mij om voorbeelden gevraagd: wat is er dan zo zwaar of ingewikkeld? Maar ik ben steeds terughoudender om daarop in te gaan. Het voelt privé, en ik wil niet negatief praten over mijn zoon. Bovendien zullen veel mensen toch niet het gedrag los kunnen zien van het kind, ben ik bang. En het valt me op dat weinig mensen echt doorvragen (bang voor het antwoord?), dus houd ik het vaker liever oppervlakkig.

 

Eenzaam

Bij tijd en wijle voelt dat wel eenzaam. Niemand (die wij kennen) weet wat het is om niet het gezinsleven te leven wat zo ‘normaal’ lijkt, onzeker te zijn over de komende maanden en of we het volhouden, hoe het is om je wekelijks grote zorgen te maken over je kind en je gezin, om niet 'gewoon' met elkaar naar een verjaardag te gaan, om geregeld met meer dan 10 mensen een ‘groot overleg’ te voeren over je zoon en daarna maar weer afwachten wat daar dan uitkomt…

Zoals vorige week maandag: 14 uur crisisgesprek. Er was een escalatie geweest op school. De jeugdconsulent (nummer 5) van de gemeente heeft ineens door hoe slecht het gaat. Hoe precair de situatie is. Ze trommelt iedereen op: de psychiater, de intern begeleider en orthopedagoog van school, de begeleider van Pepijn en wij als ouders.

Op zich goed, maar afgelopen maanden hadden we al voortdurend aan de bel getrokken: er is echt 1-op- 1 begeleiding nodig, dit is geen gezonde situatie voor onze dochter, hoe regelen we respijtzorg, waar is de ouderbegeleiding, wat als hij uitvalt van school etc. Nu, eindelijk iemand bij de gemeente die echt luistert en doordrongen lijkt te zijn van de ernst. Er is weer wat hoop. De uren van de begeleiding kunnen voorlopig behouden worden en misschien, ‘bij Gods gratie’, zelfs uitgebreid worden.

 

En dat is maar goed ook want die ambulante begeleiding heeft ons leven al een stuk lichter gemaakt. Sinds de zomer hebben we 20 uur hulpverleners aan huis: ‘it takes a village to raise a child’. Pepijn is helemaal dol op zijn begeleider Zakaria, zijn maatje. Hij komt in de middagen tot half 8 ’s avonds en is er dus ook op de moeilijke uren, als de medicatie is uitgewerkt. Het geeft ruimte en lucht. Bram en ik kunnen met een gerust hart naar ons werk en af en toe samen op pad of met Tirza. Even ademhalen. 

 

Mentale steun

En er is gelukkig ook informele hulp, uit ons eigen netwerk. Ik heb steeds beter geleerd erom te vragen. Er is onze betrokken (schoon-) moeder die meeleeft en altijd gebeld kan worden in crisissituaties. Zij biedt ook af en toe een warm thuis aan Pepijn waar hij wel naartoe wil en kan (verder is hij het huis bijna niet uit te krijgen). En gelukkig zijn er lieve buren waar Tirza te pas en te onpas kan mee eten. Opa’s en oma’s waar zij altijd terecht kan. Een tante die een paar keer last-minute Pepijn kon opvangen. En dan is er nog alle mentale steun van onze beste vrienden, die zo goed en kwaad als het kan (ze zijn geen ‘lotgenoten’) mee te leven. Ik ben dus vooral dankbaar voor wat er wel is. En omarm onze ‘village’.