Dit voorjaar maakten we een keuze die niet voelde als een keuze

Ik kan, wil en ga hem niet loslaten

De stem van de jeugdjournaalverslaggever galmt de kale woonkamer in. Ik luister er niet naar. Ik kijk naar de vier jongens, die op de grote, leren bank gebiologeerd naar de televisie kijken. Het is eindelijk even stil en er wiebelt zelfs even niemand. Ik voel vertedering. Kijk ze zitten: die kwetsbare jongens met een grote mond, die het zichzelf en hun omgeving zo moeilijk hebben gemaakt dat ze (tijdelijk) niet meer thuis kunnen wonen. Drie van de vier hebben sproetjes. Mijn lieve zoon zit ertussen. Voordat ik het weet is de stilte alweer verbroken. Later tijdens een avondwandeling in het bos op het terrein, zal ik horen van begeleider J. dat hij en zijn collega ook ontroerd raakten door dat mooie moment van stilte.

Het is lang geleden dat ik een blog schreef. Want waar kon ik beginnen en waar eindigde mijn verhaal? Wij waren die kikkers geworden, die bleven zitten in bloedheet water dat steeds harder ging koken. En we bleven nog langer zitten, steeds meer gewend aan het kokende water. Tot we geen keuze meer hadden en moesten springen. Ondertussen wel opgebrand, maar nog levend. Dit voorjaar maakten we een keuze die niet voelde als een keuze.

We wilden het zo graag. Een gezin. Harmonie in huis. Leuke dingen doen met onze kinderen. Allebei om de hoek naar hun eigen school. We waren niet voor niets verhuisd, zodat Pepijn niet met een busje hoefde te gaan. Jarenlang worstelden we ons door de opvoeding heen, met therapieën, begeleiding en extra zorg. Het was nog te doen tot het niet meer te doen was. Met 20 uur ambulante begeleiding aan huis moest het dan toch gaan lukken. Maar die uren waren bij lange na niet toereikend. Pepijn ging nog maar 3 ochtenden per week naar school dus zat hij nog veel meer thuis. En de belletjes van de juffen kwamen steeds vaker: of we hem kwamen ophalen, omdat het echt niet meer ging. Pepijn leek voortdurend overvraagd, en dus overprikkeld, met als gevolg nog meer moeilijk, zwaar  grensoverschrijdend gedrag.

OVERBBELAST

Soms keken we elkaar afgelopen jaar moedeloos aan: hoe gaan we verder? Hoe lang nog voordat wij omvallen? Hoe moeten we door? En zijn zusje dan? Nog vaker kropen we in ons eigen schulp. Als je woorden niet uitspreekt, dan is het er misschien ook niet. Misschien, wie weet, is het morgen allemaal beter. Machteloosheid ging overheersen. Een gevoel dat je wakker houdt. Mijn zenuwstelsel was inmiddels zwaar overbelast door de constante, extreme alertheid. Als je op standje overleven staat, ga je door. Adrenaline.  

School gaf aan dat Pepijn – deze slimme, gevoelige jongen met zoveel talenten, dat zagen zij ook wel, - kon na de zomer niet meer terugkomen. Alle begeleiding, alle gesprekken, alle maatregelen. Het mocht niet baten. De juffen hadden een zwak voor hem, maar toch, het ging gewoon niet meer. Niet voor hem, en ook niet voor zijn klasgenoten. Zelfs die ervaren juf was in huilen uitgebarsten. Hij zette te vaak de boel op zijn kop. Thuis ook. Maar wat doe je als ouders? Wij konden toch niet zeggen: het gaat niet meer? Als een leeuwin heb ik gevochten voor oplossingen, voor een goede plek voor hem, voor nog meer begeleiding aan huis. Elke vrije minuut was ik aan het bellen of zoeken. Tot in april de psychiater kwam met een ‘oplossing’: hij had Pepijn aangemeld voor de KIB-ASS 1 groep van Pluryn in Oosterbeek. Plan b: voor als het echt, echt, echt niet meer ging.

VASTGELOPEN

Maar er volgt al snel een intakegesprek. Ze hadden zijn dossier bestudeerd. Gezien zijn ass- en adhd diagnose, zijn hoge iq in combinatie met zijn lage sociaal emotionele leeftijd, en het feit dat we alles al hadden geprobeerd en overal waren vastgelopen, was hij uiterst geschikt voor de groep. Sterker nog, ze hadden per direct plek.

Alsof de wereld was gestopt met draaien. Ik bewoog me door de dagen heen. Soort van verlamd. Ik deed mijn werk. Sterker nog, ik had een deadline. Ik moest door. Helder nadenken. We hadden snel een knoop doorgehakt. Puur op ratio. We wisten gelijk dat we dit moesten doen. Maar mijn moederhart brak, voor de zoveelste keer. Het was niet gelukt. Thuis, hier met hem. Een diep gevoel van falen. Ook al wist ik rationeel dat ik zo niet moest denken. De dag dat we het hem moesten vertellen kwam snel dichterbij. Vermanend sprak ik mezelf toe: niet instorten, je kan dit.

TROOSTEN

Stevig houd ik mijn mannetje vast. Wat is hij nog klein. Zo kwetsbaar. Ik mag hem troosten. ‘Het komt goed’, fluister ik in zijn oor. Na een woedebui komt de spijt. Hij wilt dit niet. Wij houden zoveel van hem, wij willen dit ook niet. ‘Soms, heel soms, dan is het beter als anderen voor een kind zorgen. Dan is zelfs het ‘therapeutisch ouderschap’ (zoek zelf maar op wat dat betekent) niet meer toereikend. Dan moeten ze ook zorgen voor het andere kind in huis. Haar veiligheid. Dan kun je niet meer met elkaar in een huis leven. Dat is niet omdat ze niet van het kind houden. Misschien houden ze juist teveel van hem. En willen ze het goed houden, die relatie.’ Praat ik nou tegen hem of tegen mezelf?  

Nu, drie maanden later, leven we in een nieuwe werkelijkheid. Het huis is een stuk leger. We zijn nog steeds een gezin. Pepijn hoort erbij. Wij horen bij elkaar. Maar we leven niet meer in een huis. Ik wil, kan en ga hem niet loslaten (inmiddels een hekel aan dat woord), maar ga hem anders vasthouden. Ik kan nu gaan vertellen hoe het was: het vertellen, de verhuizing, de tranen die vloeiden. Dat ik de eerste dagen in een tentje sliep om de hoek van zijn nieuwe thuis. Dat hij boos werd, verdrietig, maar toch begrip toonde en al snel zelfs berusting. Dat dit allemaal speelde in de zomer, waarin alle gezinnen als vanzelfsprekend met elkaar herinneringen aan het maken waren, terwijl wij probeerden een modus te vinden. Dat we verslagen konden lezen over hoe het met onze zoon ging. Dat ik daar soms van wakker lag. Dat ik vaak in de auto wilde stappen omdat ik het niet meer trok: hij daar op die kamer, in dat huis, met al die vreemden. Dat we hem heel erg misten, maar als hij thuiskwam, weer wisten waarom we deze keuze hadden moeten maken.

BELLETJE

Af en toe kijk ik over het randje. Dan zie ik een zee van verdriet. Ik raak het soms even aan. Bewust of onbewust. Dan huil ik om zijn lijden. Dat ik hem niet fysiek kan troosten als hij het moeilijk heeft. Dat zijn de moeilijkste momenten. Ik ben geen dagelijks onderdeel meer van zijn leven, behalve het belletje in de avond. We zoeken hem zoveel mogelijk op. Doen leuke dingen met het gezin. Zien hem veel 1 op 1. Ook wij maken onze herinneringen. Ik koester de fijne momenten die we met elkaar hebben in een afgebakende tijd. En ja eerlijk is eerlijk: ik geniet steeds vaker van de rust in ons huis, die soms oorverdovend pijnlijk is, maar vaak genoeg ook fijn en vooral broodnodig.

We leren de begeleiders kennen. De vaste gezichten, van wie sommigen al vertrouwd voelen. Maar er zijn ook veel invallers, waar ik maar niet aan kan wennen en waar ik onrustig van word: weten ze wel wat Pepijn nodig heeft? We zagen jongens vertrekken, nieuwe kwetsbare jongens komen. Ik weet inmiddels waar het bestek en de borden liggen. Zet thee voor mezelf. Rij met gemengde gevoelens weer weg, de vele kilometers terug naar huis.

JE BENT ER NOG NIET

Elke keer als ik denk dat ik nu wel genoeg uitgerust ben van alles, tikt de moeheid alweer op mijn schouders: ‘rustig aan jij, je bent er nog niet.’

Gisteren scheen de zon. Bram stelde voor om te gaan wandelen. Met zijn drieën. Pepijn is daar. Wij zijn hier. Het was een mooie herfstwandeling met onze vrolijke dochter. We zagen rode paddenstoelen met witte stippen. We zaten op een bankje. Ik keek Bram aan en vroeg: ‘Kun je gelukkig zijn als je je niet compleet voelt?’ Hij had er geen antwoord op.